Bevers in de Hunze

De bever

Moerasbewoners
Bevers zijn echte moerasbewoners. De dieren zijn dan ook optimaal aangepast aan een leven in het water. Ze verplaatsen zich het liefst zwemmend door het landschap. De ogen, neus en oren liggen in één lijn boven op de kop. Zo kan de bever bijna geheel onder water verdwijnen en toch de omgeving in de gaten houden. Als de bever volledig onder duikt worden de neus en oren afgesloten. Meestal blijven bevers 2 tot 5 minuten onder water. Bij onraad kunnen ze zelfs 20 minuten onder blijven. In zo'n geval past het dier de bloedsomloop aan zodat zuurstofrijk bloed uitsluitend naar de hersens gaat en de rest van het lijf het tijdelijk met een beetje minder moet doen. Op het land bewegen ze zich traag, in het water zijn ze snel en wendbaar. 

Van kop tot staart
De vacht van een bever is extreem dicht behaard om het bij een langdurig verblijf in het koude water voldoende warm te hebben. De opvallende platte staart dient als roer bij het zwemmen. De staart wordt ook gebruikt als zitkussen en voor vetopslag om tijden met voedselschaarste te kunnen overbruggen. Verder is de staart belangrijk voor de warmtehuishouding van het lichaam. Als de omgevingstemperatuur boven de 20 graden stijgt wordt het dankzij de dichte vacht te warm voor de bever. De staart helpt dan bij de afgifte van overtollige warmte aan het water. Bij onraad geeft een bever met zijn staart een enorme klap op het water. Dit is bedoeld om eventuele belagers af te schrikken en de familieleden te waarschuwen voor gevaar.
De achterpoten zijn groot en krachtig. Hiermee kunnen ze goed zwemmen. De voorpoten zijn kleiner worden gebruikt als handen om takjes mee vast te pakken of